Rollo van Dinther blogt ook eens
home | stats | gelinkt door | beheer | maak je eigen weblog aan! | Wil je mijn visitekaartje? punt.nl


Op je smoel gaan
Recensie | 17 April 2008 | 09:48:36
Op je smoel gaan
Over "Monografie van de mond" van Willem Jardin
 
 Ooit hoorde ik het verhaal van een student Geschiedenis, pas afgestudeerd, die zijn vrijwel onontkoombaar lot als leraar wilde ontlopen en daarom een voorstel voor een proefschrift indiende bij de dienstdoende prof. De hooggeleerde heer riep hem enige tijd later bij zich en vroeg hem: "Meneer, waarom schrijft u geen these over het heelal?"
 
 Bovenstaande anekdote kwam onmiddellijk boven in mijn gedachten bij het lezen van Monografie van de mond, het romandebuut van Willem Jardin. Niet alleen is het boek zelf opgeknipt in een Geerten Meijsing-achtige serie substructuren en is het verlucht met naar blijken moet (hierover later meer) voor de inhoud belangrijke betekenisdragende foto's, maar vrijwel tegelijkertijd heeft de schrijver een website laten maken als een soort reisgids voor het boek, waarin hij onder de titel "sporen, artefacten" diverse foto's, collages en zelfs een drietal gedichten (van hemzelf, mogen we aannemen) voor het publiek tentoonstelt. Als klap op de vuurpijl worden in een document dat schijnbaar bedoeld is voor leesclubs, de recensenten aan het handje genomen langs thematiek, opzet en bijzonderheden van het boek, om de daarin vervatte diepere inzichten vooral niet te missen. Dit document bevat overigens een nare spelfout.
 
 Opvallend is dat de schrijver, een jongere broer van Peter du Gardijn, zich een (niet zo heel ver van zijn werkelijke naam verwijderd) pseudoniem heeft aangemeten, maar in de kleine lettertjes van zijn site toch vast aangeeft hoe hij werkelijk heet. Merkwaardig. Waarom niet gewoon onder de eigen naam gepubliceerd dan? Is er wellicht een klein familiedrama aan deze keuze vooraf gegaan?

    Jardin is in het dagelijks leven docent Kunstgeschiedenis aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Elders op het web presenteert hij zichzelf als writer and art philosopher. Een van de hoofdpersonen uit het boek is een filosoof.  Waarom willen schrijvers toch zo graag "autobiografisch dichtbij" blijven? Hebben ze hier en daar nog iets met iemand af te rekenen? Het gevolg is evident: de kwaliteit van de uitspraken van de hoofdpersoon zegt iets over het niveau van de schrijver. Tenzij de schrijver het aandurft om zichzelf en zijn soort te bespotten door in het boek als bijvoegselfilosoof op te treden.

    Op de achterflap van het boek wordt gesproken over het "mystiek engagement" van de schrijver. Nu is mystiek het streven om rechtstreekse eenheid te vinden met de uiterste werkelijkheid van het goddelijke en is engagement een term uit de literatuurkritiek voor "een literatuuropvatting van auteurs die het belang van hun teksten niet in de literaire aspecten ervan zien, maar in een buiten de literatuur gelegen functie die doorgaans van politieke of sociale aard is. Engagement (letterlijk: zich ergens toe verplichten) duidt op de zelfopgelegde verplichting van de kunstenaar zich met zijn werk in dienst te stellen van een politiek, sociaal, religieus of moreel ideaal en zo mee te werken aan de verandering van de samenleving om dat ideaal te verwezenlijken." Zo beschouwd zouden we deze roman wellicht niet moeten zien als een literair product, maar veeleer als een schriftelijke poging om één te worden met het goddelijke. Om het wat plat te zeggen: een LOI-leergang "neuken met god". Dit schept hooggespannen verwachtingen. Laten we hopen dat de schrijver ons niet teleurstelt.
 
 Op basis van het voorgaande is het goed om het boek te meten naar zijn literaire, maar ook naar zijn filosofische inhoud. Alleen dan kunnen we ons een goed beeld van het geheel vormen en alleen via deze weg kan een rechtvaardig oordeel over het boek worden gegeven.
    Een aantal passages uit het boek is op de website geciteerd op een afzonderlijke pagina. We mogen er vanuit gaan dat deze "uitlezingen" het gevolg zijn van een zorgvuldige keuze en ik beschouw ze daarom als meest belangrijke gedeelten uit het boek. Bij nadere lezing van deze 25 citaten vallen keer op keer zaken op. Ik ga eerst in op de filosofische inhoud van het boek, daarna komt de stijl en het literaire gehalte ervan aan de orde.
 
 Filosofie
 In de passages met een filosofisch karakter gaat op het niveau van het denkwerk regelmatig wat mis, getuige de citaten hieronder.
    "De diepste waarheden moeten met een schaterlach aan de man gebracht worden. Alleen met een lach zijn dogma’s verteerbaar, want lachen betekent lucht. Als je geen lucht hebt lach je niet. Dit betekent dat er lucht in de kunst moet zitten, lucht in de filosofie, lucht in de geschiedschrijving, lucht in de liefde. De luchtige vertrekkingen van de mondhoeken, de luchtige contracties in de wang, de luchtige capriolen van de tong en de ademhaling ten tijde van de lach zijn heilig, omdat ze de vanzelfsprekendheid van de dagelijkse orde ontregelen. De lach is goddelijk, de lach is het beste wat de mens heeft. Als die maar hilarisch is en schaterend en lang aanhoudt en zich bekommert om dat wat het minst lachwekkend lijkt te zijn: de eenzaamheid, de tragiek."
 We zien hier een opmerkelijke gelijkstelling van "diepste waarheid" en "dogma". Eveneens voltrekt zich een merkwaardige verdubbeling van "lucht" in de betekenis van "adem, levenskracht" en "lichtheid, luciditeit" of zelfs "ontbreken van belangwekkendheid".  Het prijzen van de lach is niet door de schrijver bedacht. In feite draait de meest belangrijke intrige van Eco's De naam van de roos om het vermeende bestaan van Aristoteles' werk over de komedie, waarin de lach als kenmerk van het menselijk karakter centraal staat. Laten we hopen dat Jardin in een voetnoot erkent dat hij deze gedachten tenminste grotendeels van een ander heeft overgenomen.
    "De leer van de zoönosen, meende hij, leverde een belangrijke bijdrage aan de systematische afbraak van de gedachte dat de mens het uitverkoren wezen van de natuurlijke wereld zou zijn. Het feit dat mensen bij bepaalde infecties dezelfde verschijnselen vertoonden als varkens, runderen en paarden - dat mensen mond- en klauwzeer, miltvuur, vlekziekte, kwade droes, konden krijgen wees op fundamentele organische verwantschap tussen mens en dier. Die verwantschap vormde de basis van zijn materialistische mensbeeld. Een mens was een dier; er was niets immaterieels aan hem. Het feit dat mensen meer hersenweefsel hadden dan dieren was een kwantitatief onderscheid en bewees op geen enkele wijze het bestaan van een ziel of geest. De overvloed aan hersenen was er de oorzaak van dat de mens op de gedachte kon komen dat hij een geest of ziel zou hebben, maar diezelfde cerebrale overvloed zou, daarvan was hij overtuigd, uiteindelijk de mens op het juiste pad leiden. Die overvloed zou hem verlichten en bevrijden van zijn tijdelijke misvattingen. Pas wanneer de mens zichzelf als dier zag, zou zijn relatie tot de natuurlijke omgeving worden hersteld."
 Dit is een prachtig voorbeeld van hoe de schrijver, in zijn poging een sublieme weerlegging te geven van het fundamentele onderscheid tussen mens en dier, namelijk het denkvermogen (en niet de ziel of de geest, die immers de zetel van dat denkvermogen zijn), met zijn formulering "De overvloed aan hersenen was er de oorzaak van dat de mens op de gedachte kon komen dat hij een geest of ziel zou hebben" die poging meteen weer om zeep helpt. Om in de thematiek van het boek te blijven had de schrijver kunnen aangeven dat het vermogen om wederzijds te communiceren een te nemen horde zou kunnen zijn, het fundamentele onderscheid tussen een mond en een bek zogezegd. Maar nee, de tocht moet over de hoogste toppen gaan om voldoende in het oog te springen en een jammerlijke afstorting is het gevolg.
    "Helderder dan ooit stond hem die nacht het verschil tussen liefde en pornografie voor de geest. Tijdelijkheid was een onderdeel van de liefde, niet van de pornografie. In de pornografie bestond de dood niet. Het pornografische lichaam was vervangbaar, het pornografische lichaam kon niet sterven omdat het zonder identiteit was. Pornografie was de oneindige cyclus van lichamen die elkaar substitueerden. Vliegen bijvoorbeeld konden ook niet sterven. Direct nadat je een vlieg doodsloeg, dook de volgende al weer op. Pornografie en vliegen waren eeuwig; liefde en mensen tijdelijk, tragisch en echt."
 Opnieuw een kenmerkende uitspraak die op zichzelf interessant lijkt, maar leeg blijkt en bovendien in tegenspraak met wat eerder over het onderscheid tussen mens en dier wordt beweerd. Pornografie bestaat bij gratie van een cultuur die sexualiteit beperkt en het bestaat bij gratie van de fantasie. Het zijn niet de pornografische lichamen die elkaar vervangen, het is juist de gedachte dat de de toeschouwer in gedachten een van de lichamen vervangt door het zijne en daardoor deelnemer wordt. Dieren kennen geen sexuele restricties, geen taboes en al helemaal geen pornografie. Dat de schrijver dit over het hoofd ziet is een grote stommiteit.
 
 Literatuur
 Een literaire schrijver beheerst zijn taal, hij gebruikt die om de lezer onontkoombaar zijn eigen werkelijkheid op te dringen en zijn personages dienen daarom ook "van vlees en bloed" te zijn. Je zou ze op straat moeten kunnen tegenkomen, zoals iemand ooit eens over Couperus' Eline Vere zei.

    Jardin beschrijft regelmatig dat iets gebeurt, maar slaagt er niet in dit voor de lezer te verbeelden of voelbaar te maken.

    "Ze was intelligent onverschillig, nukkig en charmant. Soms was ze verdrietig, soms was ze geneigd tot vijandelijkheden, ook tegen zichzelf. Bij Naomi wist je het nooit helemaal. De afgelopen maanden had ze bewezen dat ze, ondanks alles, ook lief kon hebben, dat ze mooi kon voorlezen, dat ze verleiden kon met kleine dingetjes, charmant, gek, meisjesachtig en obsceen, ze kon liefhebben als een partizane, als iemand die onderdeel uitmaakte van een ongeregelde troep. Helemaal had je haar nooit, dat hoorde daarbij [...]  Nu vertrok ze naar het buitenland. Wat moest je als je geliefde vertrok? Vergeten, gevoelens verdringen?"
 Ziehier een poging om een vrouw als enigszins onpeilbaar te schetsen: "Ze was intelligent onverschillig, nukkig en charmant. Soms was ze verdrietig, soms was ze geneigd tot vijandelijkheden, ook tegen zichzelf. Bij Naomi wist je het nooit helemaal." Die laatste zin is overbodig. En dan deze zin: "De afgelopen maanden had ze bewezen dat ze, ondanks alles, ook lief kon hebben, dat ze mooi kon voorlezen, dat ze verleiden kon met kleine dingetjes, charmant, gek, meisjesachtig en obsceen, ze kon liefhebben als een partizane, als iemand die onderdeel uitmaakte van een ongeregelde troep." "ondanks alles": ondanks wat dan? Dat je het bij Naomi nooit helemaal wist? Dus dat ze iets bewezen had, maar dat je nooit helemaal wist of ze dat wel had bewezen? "dat ze mooi kon voorlezen": wat heeft dat met liefhebben te maken? Dat ze boeken liefheeft? Dat ze net als een juf of mijn moeder fijn verhaaltjes voorleest voor het slapen gaan? "kleine dingetjes, charmant, gek, meisjesachtig en obsceen": ja dat zal wel, maar welke dingetjes zijn het nu, likken aan je oorlel in de metro, kusmondjes terwijl je in de rij staat bij een receptie (heeeel meisjesachtig inderdaad)? Iedereen kan dit soort dingen beweren, het is nu juist de schrijver die door zijn wijze van beschrijven wat er gebeurt de lezer meeneemt, dat lukt niet met een gratuite opsomming van dertien in een dozijn. "Helemaal had je haar nooit, dat hoorde daarbij.": dat hebben we twee zinnen hiervoor al gelezen, we zijn nu juist zo benieuwd naar hoe dat blijkt. En dan tot slot deze verpletterende confrontatie met je eigen ellende: "Nu vertrok ze naar het buitenland. Wat moest je als je geliefde vertrok? Vergeten, gevoelens verdringen?" Deze ontologische waarheid is ons sinds "Joop ter Heul" en de "Goud-Elsje"-serie inmiddels genoegzaam bekend.
    "De microbiologische kennis werd gemeengoed en wel met bezetenheid opwekkende heftigheid. Knolletjes en knoopjes, cellen en celresten, alles zou tussen de glazen platen fijn uitgewreven en uitgestreken worden om met de nieuwste methoden te worden onderzocht. De exacte Frans-Duitse volgorde: selecteren, fixeren, ontwateren, doordrenken met paraffine, inbedden, insnijden, op een glaasje brengen, ontwassen, kleuren en determineren. Het oog van de microscoop erbovenop, erin gestoken als een naald, daarna het menselijk oog op het oculair. Buigen maar dat hoofd, oog moest op oog gestapeld om dwars door de sferische aberraties tussen de objectieven het brandpunt waar te nemen. Hele fabrieken vol waarnemers waren aan het werk. Witgekleed, goedgesalarieerd, bezield, gedreven, protagonisten van een alomvattend beschavingsoffensief, meten, standaardiseren, oordelen, handelen en wassen. Zonder ophouden werken aan nieuwe voedingsbodems. De empirische capaciteit van vermenigvuldiging, verplaatsing, ontleding en vertering moest worden uitgebuit tot in het buitenissige."
 We lezen: "het menselijk oog op het oculair": naast het feit dat dit pijnlijk zal zijn, is het niet nodig: boven het oculair voldoet in dit soort gevallen."om dwars door de sferische aberraties tussen de objectieven het brandpunt waar te nemen.": wat in deze context de "sferische aberraties" zijn blijft onduidelijk (wanneer gedoeld wordt op het niet compleet rond zijn van de bollingen van oog en oculair, kun je dat ook gewoon zeggen), maar het waarnemen van een brandpunt kan niet anders dan berusten op bovenmenselijke capaciteiten. Wat in het brandpunt ligt van het invallend licht, neem je normaliter het scherpst waar, maar daarbij blijft het. Het brandpunt zelf kan alleen het resultaat zijn van een berekening, die je wellicht op een bord, een scherm op een stuk papier, indien uitgetekend, kunt waarnemen. Opnieuw wordt door de schrijver onzorgvuldig geformuleerd. "tot in het buitenissige": dat is nu juist niet van toepassing wanneer de empirische capaciteit moet worden uitgebuit, het buitenissige is immers datgene wat buiten het brandpunt van de belangstelling ligt, het denkgebied van een gek of een genie, uit de aard der zaak strikt persoonsgebonden.
    "Naomi kwam met grote stappen op hem aflopen, tussen de veteranen door, vlakbij hem strekte ze haar armen naar hem uit, ze omhelsde hem, zei dat ze hem iets vertellen moest, zij moest hem iets belangrijkst vertellen, iets dat zij hem al dagen, weken had willen vertellen, maar het was haar niet gelukt. Ze had het niet gekund en ze kon het nog niet, maar ze moest. Hij wist het, hij wist wat ze vertellen wilde en toen waren de zestig seconden voorbij, een tijdseenheid van niet-weten naar weten, van verbondenheid naar gescheidenheid of andersom, in een kamer gewijd aan de rococo, een kamer vol met lichtzinnige woekerende ornamenten."
 Laat u de volgende zin even tot u doordringen (en probeer de typfout te negeren): "vlakbij hem strekte ze haar armen naar hem uit, ze omhelsde hem, zei dat ze hem iets vertellen moest, zij moest hem iets belangrijkst vertellen, iets dat zij hem al dagen, weken had willen vertellen, maar het was haar niet gelukt. Ze had het niet gekund en ze kon het nog niet, maar ze moest.": wederom een stijlbloempje uit de boeketreeks-kwekerij. Uiteraard zit de lezer meteen op het puntje van zijn stoel, WAT KAN DAT ZIJN? dat ze hem al dagen, nee weken al wil vertellen, dat zo superbelangrijk is dat het haar maar steeds niet was gelukt? Zelfs toiletbezoek kun je uiteindelijk niet uitstellen, hoewel weken ophouden in de regel wat teveel gevraagd is van het menselijk organisme. Er moet iets uit, iets wat er blijkbaar al lang in zit maar er nog altijd niet uitgekomen is. Zwanger? hoor ik u denken? We komen er niet achter. De schrijver houdt er blijkbaar van om de clou nog een tijdje voor zijn lezers verborgen te houden.
    "Het openen van de mond was een van de grootste dingen die een mens kon doen. Opent uwen mond, eischt van mij vrijmoedig, sprak de dichter."
 Heerlijk dat een joodse hoofdpersoon zich op een zo natuurlijke wijze bedient van een protestants-christelijke psalmvertaling, de Oude Berijming nog wel. En dat de schrijver dan probeert te doen alsof er hier geen orthodoxe psalmberijmer, maar een dichter aan het woord is.
    "Ik zag er tientallen, honderdtallen als je mijn nachtmerries meerekende: juist gestorven paarden, varkens en runderen die in dampende stukken werden gezaagd, die werden opgehangen aan haken van lange hangbanen zodat de spieren door zwaartekracht uitrekten.Voor de koudekrimp moest dat gebeuren, je moest er gebruik van maken dat vlees na de dood een korte tijd ontspannen bleef. Samenballen mochten eiwitten niet, want dan werden de vezels taai. Daarom hangen, hangen was het allereerste principe, Jezus hing, meer heiligen hingen, hangen was overgave. Je kon zelfs als mens aan het dier hangen om het vlees beter te laten worden, je kon meerijden aan de hangbaan, dier aan dier, de armen via een bloedend lichaam verbonden met de roestige railinstallatie, zeer weldadig voor het vlees, oprekken die langdradige vezels, oprekken die filamenten."
 "Samenballen mochten eiwitten niet, want dan werden de vezels taai. Daarom hangen, hangen was het allereerste principe, Jezus hing, meer heiligen hingen, hangen was overgave.": opmerkelijk dat de schrijver deze denkfout uitstalt: het door anderen met geweld worden gehangen met als doel het product zo min mogelijk aan kwaliteit te laten inboeten meteen transponeren op Jezus en heiligen die "hingen" uit overgave. Het eerste heeft met het tweede niets te maken, of het moest gaan via de tussenstap van een dier dat, geconfronteerd met de onontkoombaarheid van zijn dood, zich aan zijn slachters overgeeft. Maar niets van dat alles. Voorafgaand aan het getoonde fragment wordt tot tweemaal het doodsangstig gillen van de dieren genoemd.
    "Natuurlijk moest hij zichzelf overwinnen in zijn eigen idee, maar hij deed niets liever, want de vragen die hij stelde en de teksten die hij voordroeg wonden hem op, haar reactie op zijn bed wond hem op."
 We zijn hier getuige van een wonderlijk geval van erotische zelfontbranding, gecombineerd met een merkwaardige vorm van fetisjisme: de manier waarop zij op zijn bed reageert (en hoe zou ze op zijn bed reageren, zou ze zich netjes voorstellen?) windt hem weer op.
    "Hij voelde zich diep gelukkig, wonderlijk gelukkig. Natuurlijk was ze te jong om met een grensverleggende interpretatie te komen, toch deed ze het naar zijn mening niet slecht. Menig docent kon wat van haar leren. Ze bracht op een zinnelijke manier intellectuele en emotionele kwetsbaarheid bij elkaar, en dat was revolutionair in de academische wereld. Wie had zich ooit afgevraagd, naakt ten overstaan van de luisteraars, of er zuivere tegenwoordigheid was? Zuivere tegenwoordigheid in de tekst, zuivere tegenwoordigheid van het bewustzijn? Zuivere lichamelijke tegenwoordigheid? Was het individu uitgerust met enige permanentie? Konden wij die permanentie vastpakken, betasten, benoemen?"
 "Hij voelde zich diep gelukkig, wonderlijk gelukkig.": in de boekjes die in de supermarkt bij de kassa liggen, gebeurt dit ook, op dezelfde manier, wanneer de dokter zich realiseert dat zijn secretaresse hem op een prettige, discrete manier en vooral zonder verdere verplichtingen kan bevredigen. Een schrijver van literatuur verplicht zich juist door zijn pretentie een literaire roman te schrijven, zich tot het uiterste in te spannen om dit soort clichematige verwoordingen te vermijden. Dit is het soort scenes waar het er op aan komt, dat de schrijver laat zien wat hij in zijn mars heeft. Jardin faalt hier volledig. "Ze bracht op een zinnelijke manier intellectuele en emotionele kwetsbaarheid bij elkaar, en dat was revolutionair in de academische wereld. Wie had zich ooit afgevraagd, naakt ten overstaan van de luisteraars, of er zuivere tegenwoordigheid was?": het blote feit dat iemand zich ongekleed iets ten overstaan van toehoorders iets afvraagt mag in de academische wereld inderdaad een novum heten. Maar een novum met zeer beperkte houdbaarheid. De eerste de beste nudistenvereniging kan het organiseren. "Was het individu uitgerust met enige permanentie? Konden wij die permanentie vastpakken, betasten, benoemen?" De hoofdpersoon wordt in deze passage op buitengewoon prettige wijze door zijn schrijver bespot, terwijl ik het gevoel heb dat de schrijver de bedoeling heeft om juist volkomen serieus te zijn. Onbedoelde lolligheid is wel het laatste wat een schrijver zich kan veroorloven.
    "Geloof het of geloof het niet, [...] op datzelfde moment bleek later, het was godgeklaagd zo mooi, zo onwerkelijk, zo verschrikkelijk ongeloofwaardig, zo volkomen ongeschikt om na te vertellen omdat niemand het geloven zou, kwam Clinton klaar en spoot hij zijn zaad in de mond van het meisje uit San Francisco. Maar niet alleen in haar mond, want hij morste. Hij trok zich op het verkeerde moment terug en in die terugtrekking morste hij, de spetters kwamen op haar mooie blauwe jurk terecht, op haar heup en op het borstgedeelte om exact te zijn, twee spetters, twee kloddertjes. Met een draagbare vlammenwerper kwam je een meter of dertig, met een vlammenwerper op een tank haalde je de honderd meter, hij overbrugde met zijn verdikte benzine in Lewinsky’s mond slechts een centimeter of vijf en daar waar het misging niet veel meer dan dertig of veertig centimeter, maar meer dan ooit schudde de rechtschapen natie op haar grondvesten alsof een centimeter een kilometer was en de kleverige gel op de jurk van het drieëntwintigjarige donkerharige meisje het brandstichtende vermogen had van genocidale napalm."
 We geloven het niet, maar voor het verhaal maakt dat weinig uit. Hier trapt de schrijver in zijn eigen val. Waar hij een geval van -weliswaar verboden, maar zeker intiem bedoelde en beleefde- orale seks beschrijven wil, komt per abuis de pornografische verbeelding daarvan (waarbij het moment suprème niet in, maar juist goed zichtbaar voor de camera en de kijker buiten de mond van de partner plaatsvindt) in de tekst terecht. Hier verraadt zich de voyeur in de persoonlijkheid die ook de schrijver herbergt.

"Deze journalist was de aasgier waar hij eerder over gedacht had, de perncoptère."  

Een perncoptère is een aasgier. Waarom niet alleen het woord aasgier gebruikt? Waarom niet meteen de Duitse, Engelse, Italiaanse, voor mijn part Russische variant erbij gehaald? Gewoon een gevalletje van interessantdoenerij?
    "De straten van Berlijn deden denken aan Dantes dampende hel. Er moesten abcessen worden toegevoegd, er moest een monografie geschreven worden, maar de man kreeg zijn plaats in de vitrine, hij werd vastgebonden aan een plank, zijn mond was met een ijzeren staaf permanent geopend, zodat achter het glas in een meedogenloze bundel van licht, het speeksel hem over de lippen liep. Een club van specialisten is met scheermessen het eschatologisch gat in gegaan. Is het onderscheid tussen verbeelding en realiteit de laatste jaren juist door toedoen van Duitse filosofen niet steeds kleiner geworden? Ach, waarom zouden we eigenlijk Duitse filosofen nodig hebben. Er is een grote Hollandse schrijver die zegt dat ‘wat verdichtsel is in ‘t bijzonder, waarheid wordt in het algemeen’. Dit is het laatste verhaal, het uiteindelijke verhaal. Hij is monddood, nu hoeft er alleen maar geleden te worden, veel geleden."

Eschatologie betekent "leer der laatste dingen" (eschata=laatste dingen). Een eschatologisch gat moet dus iets als een "witte vlek op de kaart" zijn, een plek waarover de eschatologie niets zeggen kan. wat de schrijver hier bedoelt is daarom een raadsel. Het gaat over een man die blijkbaar als levend voorbeeld tentoongesteld wordt, over specialisten met scheermessen (zijn het kappers of zijn het juist chirurgen? Laten we hopen dat die het scalpel hanteren).
 
 Het boek is "verlucht" met foto's waarvan de afkomst onduidelijk blijft. Op zijn website claimt Jardin zelf het copyright er op, maar gezien de evidente ouderdom van de plaatjes kan hij er zelf nooit de maker van zijn. Het grootste deel van de rechten over de afbeeldingen behoort aan de auteur. Mochten er lezers zijn die auteursrecht op een afbeelding claimen dan worden zij gevraagd contact op te nemen. Oude familiekiekjes dan? Wat zou dan de functie van die foto's kunnen zijn, behalve het ondubbelzinnig autobiografisch maken van de inhoud van het boek? Ik begin iets heel anders te vermoeden. Tijdens of vlak na zijn studietijd heeft Du Gardijn geschreven over de geschiedenis van de joden in Oost-Europa. Het is heel goed mogelijk dat deze foto's uit de archieven van deze joden afkomstig zijn. Dat maakt de frase "wie rechten op defoto's claimt" wel heel wrang. Dit riekt naar lijkenpikkerij.
    Wie teksten, structuren uit de schilderkunst en foto's in een boek bijeenbrengt, zet in feite een groot bord in de omgeploegde aarde met daarop "HIER WORDT KUNST GEMAAKT!". Het gaat dus niet om de onstuitbare uitingen van een in de ziel verborgen lyrische persoonlijkheid, maar om een streven naar kunst. Sterker nog: hier probeert iemand uit alle macht een Gesamtkunstwerk te fabriceren, waaraan alleen de bijgeleverde cd met muziek nog ontbreekt. Misschien heeft de schrijver wel een bepaalde tijd lang gedacht dat hij op basis van de verhalen van een joodse familie de antsemiet Richard Wagner naar de kroon kon steken. Dat gebeurt dan door middel van een vijfpuntige structuur, een pentagram, jawel, het symbool van het Kwaad!
 
 Volgens de tips voor de leesclub bestaat de monografie uit totaal vijf delen: twee delen, die beide "monografie van de mond" heten, een deel met de titel "monografie van huid en haar" en nog twee "subpanelen". Wie denkt er niet aan het heelal? We komen in de buurt.

    "Liefhebben was overwonnen angst en daarna, diezelfde dag, diezelfde zomer, werd het jongetje, dat voorbestemd was om filosoof te worden, bang voor het uitspansel, eveneens om zijn grootte. Het uitspansel was een paard met melkwegen en manen. Lang wild haar in de nek, maar tegelijkertijd zo oneindig groot en hoog. Zo groot was het heelal dat je niet dichtbij kon zijn. Zo groot was het heelal dat je erin verdween en verdwijnen kon nooit het doel zijn van alle joodse en christelijke leraren. Dichtbij was niet gelijk aan verdwijnen."

    Weer moet ik denken aan de student Geschiedenis uit de anekdote. De prof had gelijk. Wil je het heelal beschrijven, dan wordt je bouwsel zo enorm dat de hemellichamen gemakkelijk door de gaten heen ontsnappen. Uiteindelijk blijf je zitten met niets, een hoop woorden zonder zingevende betekenis. Een hoop o zo interessant bedoelde stellingen, beweringen en waarheden, die nooit meer worden dan quasi-filosofische prietpraat. Snippers, gescheurd uit boeken die vanwege hun dikte en hun oud-Duits aandoende gothische letters in de boekenkast staan, geplakt op papier en dan bijschrijven met je eigen onappetijtelijke hanepoten, want het is kunst, kunst o verdoemde lezer, je zult bezwijken onder de gewichtigheid van deze art. Uiteraard is deze poging, evenals zovele van zijn voorgangers, tot mislukken gedoemd.
 
 Tenslotte nog deze, die we niet voor niets voor het laatst bewaren: "... die, geurend naar etherische oliën, nu naakt voor hem lag in bed? Hij sprak de vraag uit, hij reageerde op haar uitdaging, hij sprak de vraag naar god uit tot onder het laken. Maar hoe verder? Het was zo raar om halfnaakt je vak uit te oefenen, halfnaakt te debatteren met een halfnaakte vrouw."
 Een vrouw die eerst naakt is en na de uitspraak van een vraag opeens halfnaakt? Tjonge! Nog een vraag en ze is weer geheel gekleed! Dit is geen mystiek engagement, dit is pure toverkunst!
 
 Eén uitgeverij trapte er in.
 
 Dat is pas op je smoel gaan.
reacties 8 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 407

Wil je mijn visitekaartje?

Ondergroei
Fragment | 13 April 2008 | 08:48:13
Ondergroei
 
      “Hier is het, hier heb ik die vent gezien!” roept een jongen en er wordt op de luiken gebonkt. Andere stemmen schreeuwen onverstaanbare dingen en opnieuw blaft de hond. Ik schrik en besef opeens dat deze mensen het op mij voorzien hebben. Ik blijf doodstil zitten, niet in staat om me te verroeren. Het gebonk verplaatst zich naar andere luiken, dichter bij de deur. Er klinken uitroepen van teleurstelling. Even haal ik opgelucht adem. Misschien denken ze nu dat ik er niet ben en gaan ze weg. Ik herinner me de eerste avond dat ik hier was en mijn vergeefse pogingen om in dit huisje in te breken. Aan een koevoet zullen die boeren wel niet gedacht hebben. Ze moeten gezopen hebben. Zo te horen zijn ze al een aardig eind heen. Ze krijgen er wel genoeg van.
      Opnieuw wordt er op een luik gebonsd, nu aan de achterkant van het huisje. Ik voel dat ik in verwarring raak, niet meer helder kan denken. Zijn er maar twee of drie buiten, die op deze manier de indruk moeten wekken dat ik omsingeld ben of wordt het huisje nu werkelijk door een grote groep belegerd? Ik voel dat ik bang begin te worden. Stel je voor dat ze werkelijk dronken zijn, echt straalbezopen, dan zijn ze zelfs in staat om het huisje in brand te steken. Ik moet hier weg, hier uit. Ik moet me voorbereiden, me gereed maken om op ieder gewenst moment te kunnen vluchten. Ik trek de dikke sokken uit en doe mijn jack en mijn schoenen weer aan. De stof is koud en ik huiver. Het bonken wordt nu regelmatig herhaald, nu aan een zijkant, dan weer aan de achterzijde. Ik loop naar de keuken en knip de hoofdschakelaar uit. Meteen word ik omgeven door de volkomen duisternis. Eenmaal buiten zal ik straks door het donker mijn weg moeten vinden en mag ik geen fouten maken. Alleen de kortste weg geeft mij de gelegenheid om te vluchten. Mijn ogen moeten aan het duister gewend zijn.
      Buiten zwelt het gejoel aan en plotseling beukt er hout tegen de voordeur, zodat het huisje schudt en kraakt. De voordeur kraakt eveneens een beetje, maar geeft verder geen krimp. Ze moeten een stormram gemaakt hebben, waarschijnlijk van een boomstam. Nu niet bang worden, niet in paniek raken. Een deur die naar buiten opengaat ram je niet zo gemakkelijk in. Als dat hun tactiek is, heb ik nog wat tijd om mijn eigen plan te overdenken. Dat ik dit huisje moet verlaten, staat nu vast. Definitief. Geen terugkeer mogelijk. Ook als het geteisem wegtrekt ben ik mijn toekomst hier niet meer zeker. Als ze weggaan, is dat alleen om later maar zeker weer terug te komen. Opnieuw dreunt het hout tegen de voordeur. Buiten roept iemand om benzine. Dus toch. Ze zijn bezopen, ze zijn gek. Ik voel mijn hoofd bonzen en probeer uit alle macht om kalm te blijven. Ik moet nu bliksemsnel handelen. Ik schakel de televisie aan en draai de volumeknop naar zijn maximum. Wie het lichtknopje weet te vinden zal zich een beroerte schrikken en misschien leidt het mijn achtervolgers lang genoeg af om aan hen te kunnen ontsnappen. Ontsnappen. Eerst naar buiten. Door een raam ontsnappen is onmogelijk. Het duurt veel te lang om naar buiten te klimmen en zo gauw ze buiten in de gaten krijgen dat er een luik geopend wordt, storten ze zich daar op. Ik moet door de deur. Wil ik niet door de aanstormende rammeiers terug het huis in gebeukt worden, dan moet ik de deur opengooien terwijl ze juist teruglopen voor hun volgende aanloop. Wanneer ik op dat ogenblik naar buiten ren, zullen er aan de voorkant van het huisje waarschijnlijk weinig anderen meer staan, of het moeten kijkers zijn die nergens op verdacht zijn en elkaar alleen maar in de weg lopen. En eenmaal buiten, waarheen dan? De kortste weg naar het gedeelte van het bos met de heuvels en het meertje is pal oostwaarts, rechtdoor dus, maar daarvoor staan de rammeiers teveel in de weg. Schuin rechts dus.
      De hond. Al kan ik mijn belegeraars afschudden, dan blijft nog de hond over. Hoe kom ik van dat rotbeest af. Een hond ziet slecht, weet ik, maar ruikt veel beter. Hoe eerder ik behalve niet meer gezien ook niet meer geroken kan worden, des te veiliger zal mijn vlucht zijn. Het beste is een breed stuk water met steile oevers en een smalle brug eroverheen, maar geen van die elementen is hier in de omgeving aanwezig. Doornstruiken waar ik overheen kan springen en de hond niet zijn er evenmin. Beuken op de voordeur, dreunen en krakend hout. Ze zijn er nog lang niet, ik heb nog tijd. Gejoel bij de achterzijde en meteen een brandlucht die scherp in mijn neusgaten doordringt. Geen tijd meer. Ik verlies kostbare tijd. Nu niet bang worden. Niet bang worden. Het heeft dagenlang geregend, het hout is nat. Opeens denk ik aan het zakmes. Het is groot genoeg om een aanvallende hond een flinke jaap over zijn neus te geven en misschien ben ik daarna van het beest af. Beuken op de voordeur en nog steeds die brandlucht, ik heb geen keus, ik moet eruit, naar buiten. Voorzichtig steek ik de sleutel in het slot. Bij de volgende dreun tegen de deur draai ik hem voorzichtig om, klem het opengeknipte zakmes in mijn rechterhand, legde mijn linkerhand op de deurklink en wacht achter de deur op de volgende dreun. Het gejoel dat bij de volgende rampoging buiten opgaat, brengt mij zodanig van mijn stuk dat ik blijf staan. Veel meer toeschouwers dan ik hoopte. Misschien zijn de brandstichters inmiddels naar de voorkant gelopen, in de overtuiging dat er voor hun slachtoffer maar een vluchtweg overblijft. Ik klem mijn kaken op elkaar en grom binnensmonds. Ik heb geen keus, maar ik zal mijn huid duur verkopen. Doden als het moet. Je weet niet wat je zegt. Je weet niet wat je zegt, maar je moet wel. Opnieuw bonkt hout tegen hout en nu knerpen de scharnieren. De deur heeft bewogen. Buiten wordt geroepen, maar niet geblaft. Geen hond. Er is buiten geen hond. Dit is mijn kans. Wachten op de volgende dreun. De laatste.
      Na de volgende dreun tel ik tot vijf, gooi bij zes de deur open en spring naar buiten. Ik ruik smeulend hout en hoor opgewonden stemmen overal om mij heen. Vrijwel meteen bots ik tegen iemand op, die door de vaart en het gewicht van mij omvergegooid wordt. Ik zie schimmen bewegen, hoor geschreeuw en gevloek. Nog steeds geen hond, schiet het door mijn hoofd, nog steeds geen hond, ik voel dat handen mij vastgrijpen en ik haal met mijn zakmes uit naar die richting. Een gil van pijn, de handen laten los en ik zie een opening, voel de ruimte voor mij. De weg ligt voor mij open en ik zet aan om zo snel mogelijk op volle snelheid te komen.
      Voor ik het weet ben ik tussen het struikgewas en voel ik de takken tegen mijn hoofd slaan. Achter mij worden brommers gestart, knetteren twee of drie motoren en er zwiepen lichtbundels langs de stammen en struiken voor mij. Nog steeds geen hond. Het gaat lukken. De brommers komen snel dichterbij, maar ik spring over een greppel en weet me voorlopig buiten hun bereik. Nog altijd geen hond. Ik bereik het pad dat ik heb afgesneden en ren met de bocht mee, zo snel mogelijk zo ver mogelijk weg van het huisje en dan pas nadenken, loop zo hard je kunt en volg het spoor op de kaart in je hoofd. Mijn luchtpijp brandt, mijn hart vult mijn borstkas en lijkt te gaan barsten, mijn benen worden dunner, dunner, dunner. Er beweegt iets luidruchtig door de struiken naast mij, ik hoor gehijg en op hetzelfde ogenblik springt er een paar meter voor mij een grote witte hond op het pad. Het beest laat zijn tanden zien en verspert mij grommend de doortocht. Gedurende een ogenblik zie ik de vos grommend voor me op de weg staan en ik spits de oren om naderend motorgeronk te kunnen horen, maar meteen weet ik dat dat geluid nu van mijn vijanden komt, net zoals die vervloekte hond voor mij. Ik zal niet gered worden als ik mezelf niet red.
      “Rot op, smerig kreng!” sis ik de hond toe, maar die blijft staan en begint luid en laag te blaffen. Achter hem wordt geroepen en het geknetter van de brommers wordt luider.
      “Dood, maak dood!” joelen de stemmen achter mij, rondom mij, boven mij in de duisternis en de dood is zwart, de dood is een zwarte hond en deze hond is wit, wit als een engel en als ik je naam weet heb ik macht over je en dus geef ik je de naam van een engel, de engel Gabriël.
      “Gabriël, dood!”
De hond houdt op met blaffen en beperkt zich weer tot grommen. Ik plaats mijn voeten uit elkaar en voel een tak onder de zool van mijn linkerschoen. Voorzichtig buig ik mijn linkerknie en ik moet knarsen met mijn tanden om in die pijn overeind te blijven. Terwijl de hond voor mijn ogen heen en weer schommelt, tast ik met mijn linkerhand naar het stuk hout. Het past goed in mijn hand en voelt stevig aan, het zal niet breken als ik ermee sla. Een goede stok om een hond mee te slaan. Ik voelde me dankbaar tegenover de onbekenden die deze stok hier voor mij hebben achtergelaten, ik kom weer overeind met de stok in mijn hand en weer zijn daar de stemmen van de achtervolgers en de stemmen in de lucht, het gejank van de brommers en het gierend lachen van de heksen op hun bezemstelen en het honen van de bosgeesten die ondersteboven aan hun takken hangen .
      “Dood, maak dood dan als je durft!”
De hond springt naar voren en bijt in de stok die ik in zijn richting stoot, het mes schiet tweemaal heen en weer en kerft beide keren diepe wonden in de hondesnuit. De hond jankt en laat de stok los, schudt met zijn kop, gromt en jankt. Hij jankt, maar vlucht niet. Ik probeer hem met de stok op zijn neus te slaan, maar dat lukt maar half omdat ik mijn linkerhand gebruik. De hond jankt en gromt, loopt heen en weer maar valt geen tweede keer aan. Geschreeuw en geknetter van bromfietsen, lichtbundels tussen de bomen, de lucht is leeg, geen stemmen meer, ik moet verder, langs de hond heen. Het dier komt weer naar mij toe en probeert te bijten, maar deze keer raakt de stok hem vol op zijn snuit. Donkere snuit, smerige snuit, smerig van wat bloed moet zijn. Ik moet er langs, er langs, klotebeest, vervloekt klotekreng van een beest. Ik steek de hond in een oog en dat is genoeg, de hond gilt en schiet langs mij heen over het pad. Ik laat de stok vallen en begin weer te rennen. Ik kijk voortdurend naast me om mijn plaats te bepalen, ik herken nu het patroon in de begroeiing aan weerszijden van het pad. Hier rechtsaf, dwars door het bos, de kortste weg naar de heuvels en het meertje en de vrijheid.
      Ik probeer op koers te blijven en mijn snelheid te behouden terwijl ik me door het kreupelhout worstel. Ik voel dat de ondergrond niet vlak meer is, er zijn kuilen en ik zwik bijna bij elke stap die ik neem. Meer dan rennen is het springen en bijna vallen, grote sprongen die ik neem in het donker, terwijl de takken mijn gezicht striemen en ik me schaaf aan de boomstammen die opeens voor mij opdoemen en die ik niet meer ontwijken kan. Onder mijn voeten kraakt het dode hout en om mij heen kraakt het levende hout en ik vecht me vooruit door het donkere bos. In mijn hoofd blijft het gegil, het geronk van de motoren, heksen schreeuwen hun vloekspreuken, honden grommen, donder rommelt heen en weer tussen mijn oren, het geluid wordt een branding die aanzwelt tot een orkaan en opeens ben ik alleen in een grote lege ruimte, geen takken, geen krakend hout, voor mijn ogen schieten de sterren voorbij en ik val. Ik val zwaar neer op de aarde. Even is het volkomen stil. Dan zwart.

 
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 176


Maatschap
Fragment | 13 April 2008 | 08:27:50
Maatschap
 
Geologie is een wetenschap voor mensen met geduld. Hoewel een aardbeving met al zijn geweld een kwestie van seconden is, zorgt zij voor de ontspanning van een druk die zich vaak duizenden jaren lang in het gesteente heeft opgebouwd. Aan de uitbarsting van een vulkaan die een paar dagen duurt, gaat het over een periode van honderden, soms duizenden jaren omhoog persen van magma vooraf en wanneer de aarde stoom afblaast, zijn de gevolgen verschrikkelijk. Een geoloog gaat meestal niet bij een krater of op een breuklijn zitten wachten tot de catastrofe zich voltrekt. Op gepaste en veilige afstand bestudeert hij de verschijnselen en probeert zo vroeg mogelijk alarm te slaan. Eenmaal in de gevarenzone baat de kennis van de geoloog hem immers niets. Tussen de stroopstromen van de lava en middenin de vallende rotsblokken is hij even weerloos als ieder ander.  Vanzelfsprekend koos ik van de twee campings de verkeerde. Ik was pas laat in de middag in Tarascon sur Ariège aangekomen, met de oude, smerige en volle internationale trein naar Toulouse en daarna de schone, hypermoderne en nauwelijks bevolkte trein naar Foix. Het was warm en ik zweette. Ik haat het wanneer ik een belangrijke afspraak heb en niet weet waar ik moet zijn. Al mijn medestudenten zouden met de bus vanuit Bretagne naar Tarascon reizen en alleen ik kwam rechtstreeks uit Nederland. Mijn medestudenten waren allen tweedejaars en ik als derdejaars kende ze eigenlijk slechts van gezicht. Dat wil zeggen sommigen, want er kwamen ook namen op de lijst voor die me in het geheel niets zeiden. Arthur Hoornweg hoorde daarbij, evenals Rob van de Berg en Barth van der Geer: jongens van wie ik alleen wist dat ze tijdens het aansluitende veldwerk in Noord-Spanje mijn maatjes zouden zijn.
    Tot acht uur die avond zat ik op een grote platte steen bij de ingang van camping “La Roche” te wachten op de bus met Geologen, maar er arriveerden alleen af en toe kleine auto’s met zestigplussers. Ik ergerde me verschrikkelijk en ik had honger. Ik moest nog eten en mijn tent opzetten en in de bergen wordt het vroeg donker. Ik keek iedere paar minuten naar boven om te zien hoe de wolken zich tot steeds dichtere en donkerder massa’s samentrokken en ik wist uit ervaring dat het nog voor de nacht hevig zou gaan onweren. Terwijl vanaf de klokketoren de achtste slag nog nagalmde, stond ik op en sjorde mijn zware rugzak weer op mijn schouders. Twee kilometer terug naar het dorp. Gelukkig was de andere camping vlakbij het centrum. Bij het inschrijven keek de dame achter de balie me wantrouwend aan, alsof ik een man was die gastvrijheid vroeg in een nonnenklooster. Het veld waar ik mijn tent opzette was vrijwel leeg, het gras was geel en op meerdere plekken lag droge zwarte aarde klaar om door de wind verstoven te worden. Tijdens het opzetten van de tent keek ik op wanneer ik stemmen hoorde, maar de gezichten van de passerende toeristen herkende ik niet. In het restaurant hield ik doorlopend door het raam de straat in de gaten terwijl de spaghetti Bolognese veel langzamer eetbaar koud werd dan ik wenste. Uiteindelijk brandde ik toch nog tweemaal mijn tong. De uitkijk was vergeefs: geen bus, geen studenten. Ik begon me af te vragen of ik zelf een stommiteit had begaan: verkeerde plaats, verkeerde dag; misschien was ik te laat, hadden ze gisteren een paar uur op me gewacht en waren tenslotte geërgerd vertrokken.
    Terug in mijn tent keerde ik mijn rugzak ondersteboven om het papier te vinden waarop plaats en tijdstip van samenkomst waren aangegeven, maar tevergeefs: het was onvindbaar. Het was inmiddels bijna donker en ik was bekaf. Voor ik in slaap viel, zweefde nog door mijn hoofd dat ik de wekker moest zetten, maar die gedachte werd pas luid genoeg toen ik de volgende ochtend geradbraakt door het zonlicht gewekt werd. Ik stak mijn hoofd buiten de tent en zag dat het veld nog even leeg was als de avond tevoren. De verkeerde camping – vervloekt – haasten - en terwijl ik dat dacht, was ik al begonnen aan het met een noodgang inpakken van mijn spullen.
    De twee kilometer naar de andere camping waren veel steiler en langer dan de vorige dag en het eerste dat ik zag toen ik de laatste bocht door liep was de bus van firma Nooteboom uit Middelharnis. Even later zag ik een veld vol kleine tentjes, rond en puntige in rood, blauw en groen en daartussen mijn medestudenten: ongeschoren, hompen van een stokbrood afbijtend en kauwend, de meesten in de andere hand een zelfgedraaide sigaret. Een groepje meisjes dronk bij de ingang beurtelings uit een plastic flesje water. Toen ik dichterbij kwam, zag ik achter de meisjes drie jongens naast elkaar op een houten bak zitten. Een van hen droeg een donkerblauwe nette broek en een groen-wit gestreept overhemd en hij was bezig zijn donkerbruine brogues te poetsen. Zijn kameraden, de een in een mouwloos shirt met pantermotief en een witte korte sportbroek, de ander in spijkerbroek en blauw poloshirt, droegen beiden zware bergschoenen en waren druk in gesprek met de poetser.
Ik noemde ze voor mezelf de snorders, want ze hadden alledrie een vlassig snorretje. Ik liep door de poort met campingterrein op, waar de meeste studenten inmiddels waren begonnen met het neerhalen en opvouwen van hun tenten. Ik herkende een jaargenoot die al eerder dan ik een jaartje vertraging had opgelopen door de barcommissie van een studentenvereniging en ik vroeg hem naar mijn veldwerkmaatjes. Hij wees naar de ingang.
“Daar zitten ze, op dat bankje. Die ene poetst zijn schoenen.” Hij maakte een verachtelijk gebaar.
“Dat zijn mijn veldmaatjes,” zei ik.
“O, misschien vallen ze wel mee.” Zijn toon was nu neutraal, maar ik raadde zijn gedachten. “Stumper.” “Jij liever dan ik.” Ik liep terug naar het groepje op de bank, zette mijn rugzak op de grond en stak mijn hand uit naar de dichtstbijzijnde van de jongens.
“Maarten Wildervanck. Ik ben jullie veldmaat.”
“Rob van de Berg. Ik werk samen met Arthur,” en hij wees op de jongen die even iets minder krom ging zitten, zijn hand uitstak en “Arthur Hoornweg” uitsprak met een aardappel achterin zijn keel. “Jij werkt samen met Barth,” hernam Rob en wees mij de derde van hun groepje aan. “Hallo,” zei Barth en hield zijn handen achter zijn rug. Ik zag dat zijn ogen enigszins spleetvormig waren, maar zijn gelaatsuitdrukking was open en vrolijk.
“Je hebt ruzie gemaakt hè?” zei hij. Ik zocht naar woorden om uit te leggen hoe ik tijdens de Moezel-veldweek ernstig te licht bevonden was door mijn bedoelde veldmaat, maar Rob maakte dat overbodig.
“Ik ken hem. Het is een lul,” stelde hij vast. “Laten we je rugzak in de bus zetten, dan kunnen we vast gaan zitten. Kijken wat de beste plaatsen zijn voor het uitzicht.”
Na drie kwartier druppelden de eerste medestudenten de bus in, maar pas toen de docenten buiten begonnen te roepen dat de laatsten zich moesten haasten, werden onze plaatsen op de achterbank van de bus betwist.
“Wij zaten hier op de heenreis,” was de dreigende mededeling van Harry Munnig Schmidt, een vierkante corpsbal met de stem van een Deense dog.
“Nieuwe ronde, nieuwe prijzen,” zei Rob. “Wij zitten hier nu.” Hij stak zijn benen demonstratief languit het gangpad in. Nu pas viel me op dat Rob een grote spits toelopende neus had. Een klap daarop zou hard aankomen. Harry maakte aanstalten om zich voor ons langs te wringen naar de plaats rechts achter in de hoek, maar Arthur hield hem tegen.
“Je kunt dat natuurlijk proberen, maar accepteren zal ik het niet,” zei hij en keek Harry strak aan. De chauffeur startte de motor en de bus zette zich hobbelend in beweging.
“Godverse idioten,” mompelde Harry en wankelde terug door het gangpad, naar een plek in het midden van de bus, waar zijn clubgenoten hem al wenkten.

*************************************************************

Nadat Rob meteen na aankomst op camping Las Bordas een paar honderd gulden aan peseta’s uit de fruitautomaat had weten te halen, leek de omgeving definitief ontstemd geraakt te zijn. Rond vier uur begonnen donkergrijze wolken hun ladingen kille regen over het landschap uit te storten en nog voor etenstijd ging de regen over in natte sneeuw. We kwamen bijeen in Barth’s tent, de enige die groot genoeg was voor vier mensen en een paar gasbranders. Al heel snel was de enige verlichting afkomstig van het blauwe vuur onder de pannen met rijst en groentestoofpot en leken onze gezichten vreemd vervormd in dat schijnsel. Arthur mokte nog na over het ontbreken van vlees, vis of ei bij de maaltijd, iets wat hij als een “onmisbaar ingrediënt” beschouwde.
Het alarm van Arthur’s horloge piepte. Ik opende de rits van de tent en wrong mijn bovenlichaam naar buiten om de pan met rijst af te gieten. De natte sneeuw was overgegaan in grote dikke vlokken, die op het gras en op de tenten bleven liggen. Op de hellingen rondom ons scheen hier en daar een lichtje tussen de bomen. Uit sommige tenten verderop klonken zachte stemmen, een meisje lachte aanstellerig en iemand kreeg last van een hoestbui. Aan het verst van ons verwijderde uiteinde van het grasveld stond een grote gele bungalowtent met een enorme luifel, waaronder de corpsballen sigaretten rookten, wijn dronken en luide boeren lieten.
    “Moeten we die laffe troep echt eten?” hoorde ik in de tent Arthur zeggen.
    “Je zult zien dat het meevalt,” suste Barth, die de groente in de pan waarschijnlijk nog steeds roerde.
    “Je zult zien dat ik ervan moet braken,” zeurde Arthur.
    “Je zult zien dat je niets anders te eten krijgt,” zei Rob en toen was het een tijdlang stil. De sneeuwvlokken werden kleiner en minder en na een tijdje viel er geen sneeuw meer. Uit geen enkele tent klonken meer stemmen, zelfs de corpsballen hielden hun mond. Na verloop van tijd hoorde ik alleen het geluid van waterdruppels die van de tent in een plasje vielen dat zich in het magere gras had gevormd.
    “Eten is klaar!” verbrak Barth de stilte. Ik pakte de pan rijst die ik in het gras had gezet en gaf hem door naar binnen.
    “Die zal nu wel koud zijn,” zei Arthur, maar niemand reageerde. Rob schepte de rijst op, Barth de groente. We aten zwijgend. Arthur smakte en Rob vroeg of hij het eten toch lekker vond. Arthur gromde wat en bleef dooreten. Ik zag dat Barth voorzichtig glimlachte.
Na het eten wilde Arthur een sigaar opsteken, maar hij werd door Barth de tent uitgewerkt.
    “Ik wil die stank niet in mijn tent. Ophoepelen.” Arthur mokte nog wat na over de ongenietbaarheid van het leven zonder sigaren, maar ging toch naar buiten. Het was weer gaan sneeuwen en voor ik de rits van de tent dichtmaakte, zag ik hem staan als silhouet in het bleekblauwe licht van de gasbrander, de rug wat gekromd, de nek en het hoofd licht naar voren buigend, een hand in de zij en de andere met sigaar dichtbij de mond. Hij rookte de sigaar alsof het een sigaret was.

 
reacties 3 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 243


 

Home   weblog sinds: 2008-04-12

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl. Problemen met de inhoud van deze log? Klik hier.