Op je smoel gaan
Over "Monografie van de mond" van Willem Jardin
Ooit hoorde ik het verhaal van een student Geschiedenis, pas afgestudeerd, die zijn vrijwel onontkoombaar lot als leraar wilde ontlopen en daarom een voorstel voor een proefschrift indiende bij de dienstdoende prof. De hooggeleerde heer riep hem enige tijd later bij zich en vroeg hem: "Meneer, waarom schrijft u geen these over het heelal?"
Bovenstaande anekdote kwam onmiddellijk boven in mijn gedachten bij het lezen van Monografie van de mond, het romandebuut van Willem Jardin. Niet alleen is het boek zelf opgeknipt in een Geerten Meijsing-achtige serie substructuren en is het verlucht met naar blijken moet (hierover later meer) voor de inhoud belangrijke betekenisdragende foto's, maar vrijwel tegelijkertijd heeft de schrijver een website laten maken als een soort reisgids voor het boek, waarin hij onder de titel "sporen, artefacten" diverse foto's, collages en zelfs een drietal gedichten (van hemzelf, mogen we aannemen) voor het publiek tentoonstelt. Als klap op de vuurpijl worden in een document dat schijnbaar bedoeld is voor leesclubs, de recensenten aan het handje genomen langs thematiek, opzet en bijzonderheden van het boek, om de daarin vervatte diepere inzichten vooral niet te missen. Dit document bevat overigens een nare spelfout.
Opvallend is dat de schrijver, een jongere broer van Peter du Gardijn, zich een (niet zo heel ver van zijn werkelijke naam verwijderd) pseudoniem heeft aangemeten, maar in de kleine lettertjes van zijn site toch vast aangeeft hoe hij werkelijk heet. Merkwaardig. Waarom niet gewoon onder de eigen naam gepubliceerd dan? Is er wellicht een klein familiedrama aan deze keuze vooraf gegaan?
Jardin is in het dagelijks leven docent Kunstgeschiedenis aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Elders op het web presenteert hij zichzelf als writer and art philosopher. Een van de hoofdpersonen uit het boek is een filosoof. Waarom willen schrijvers toch zo graag "autobiografisch dichtbij" blijven? Hebben ze hier en daar nog iets met iemand af te rekenen? Het gevolg is evident: de kwaliteit van de uitspraken van de hoofdpersoon zegt iets over het niveau van de schrijver. Tenzij de schrijver het aandurft om zichzelf en zijn soort te bespotten door in het boek als bijvoegselfilosoof op te treden.
Op de achterflap van het boek wordt gesproken over het "mystiek engagement" van de schrijver. Nu is mystiek het streven om rechtstreekse eenheid te vinden met de uiterste werkelijkheid van het goddelijke en is engagement een term uit de literatuurkritiek voor "een literatuuropvatting van auteurs die het belang van hun teksten niet in de literaire aspecten ervan zien, maar in een buiten de literatuur gelegen functie die doorgaans van politieke of sociale aard is. Engagement (letterlijk: zich ergens toe verplichten) duidt op de zelfopgelegde verplichting van de kunstenaar zich met zijn werk in dienst te stellen van een politiek, sociaal, religieus of moreel ideaal en zo mee te werken aan de verandering van de samenleving om dat ideaal te verwezenlijken." Zo beschouwd zouden we deze roman wellicht niet moeten zien als een literair product, maar veeleer als een schriftelijke poging om één te worden met het goddelijke. Om het wat plat te zeggen: een LOI-leergang "neuken met god". Dit schept hooggespannen verwachtingen. Laten we hopen dat de schrijver ons niet teleurstelt.
Op basis van het voorgaande is het goed om het boek te meten naar zijn literaire, maar ook naar zijn filosofische inhoud. Alleen dan kunnen we ons een goed beeld van het geheel vormen en alleen via deze weg kan een rechtvaardig oordeel over het boek worden gegeven.
Een aantal passages uit het boek is op de website geciteerd op een afzonderlijke pagina. We mogen er vanuit gaan dat deze "uitlezingen" het gevolg zijn van een zorgvuldige keuze en ik beschouw ze daarom als meest belangrijke gedeelten uit het boek. Bij nadere lezing van deze 25 citaten vallen keer op keer zaken op. Ik ga eerst in op de filosofische inhoud van het boek, daarna komt de stijl en het literaire gehalte ervan aan de orde.
Filosofie
In de passages met een filosofisch karakter gaat op het niveau van het denkwerk regelmatig wat mis, getuige de citaten hieronder.
"De diepste waarheden moeten met een schaterlach aan de man gebracht worden. Alleen met een lach zijn dogma’s verteerbaar, want lachen betekent lucht. Als je geen lucht hebt lach je niet. Dit betekent dat er lucht in de kunst moet zitten, lucht in de filosofie, lucht in de geschiedschrijving, lucht in de liefde. De luchtige vertrekkingen van de mondhoeken, de luchtige contracties in de wang, de luchtige capriolen van de tong en de ademhaling ten tijde van de lach zijn heilig, omdat ze de vanzelfsprekendheid van de dagelijkse orde ontregelen. De lach is goddelijk, de lach is het beste wat de mens heeft. Als die maar hilarisch is en schaterend en lang aanhoudt en zich bekommert om dat wat het minst lachwekkend lijkt te zijn: de eenzaamheid, de tragiek."
We zien hier een opmerkelijke gelijkstelling van "diepste waarheid" en "dogma". Eveneens voltrekt zich een merkwaardige verdubbeling van "lucht" in de betekenis van "adem, levenskracht" en "lichtheid, luciditeit" of zelfs "ontbreken van belangwekkendheid". Het prijzen van de lach is niet door de schrijver bedacht. In feite draait de meest belangrijke intrige van Eco's De naam van de roos om het vermeende bestaan van Aristoteles' werk over de komedie, waarin de lach als kenmerk van het menselijk karakter centraal staat. Laten we hopen dat Jardin in een voetnoot erkent dat hij deze gedachten tenminste grotendeels van een ander heeft overgenomen.
"De leer van de zoönosen, meende hij, leverde een belangrijke bijdrage aan de systematische afbraak van de gedachte dat de mens het uitverkoren wezen van de natuurlijke wereld zou zijn. Het feit dat mensen bij bepaalde infecties dezelfde verschijnselen vertoonden als varkens, runderen en paarden - dat mensen mond- en klauwzeer, miltvuur, vlekziekte, kwade droes, konden krijgen – wees op fundamentele organische verwantschap tussen mens en dier. Die verwantschap vormde de basis van zijn materialistische mensbeeld. Een mens was een dier; er was niets immaterieels aan hem. Het feit dat mensen meer hersenweefsel hadden dan dieren was een kwantitatief onderscheid en bewees op geen enkele wijze het bestaan van een ziel of geest. De overvloed aan hersenen was er de oorzaak van dat de mens op de gedachte kon komen dat hij een geest of ziel zou hebben, maar diezelfde cerebrale overvloed zou, daarvan was hij overtuigd, uiteindelijk de mens op het juiste pad leiden. Die overvloed zou hem verlichten en bevrijden van zijn tijdelijke misvattingen. Pas wanneer de mens zichzelf als dier zag, zou zijn relatie tot de natuurlijke omgeving worden hersteld."
Dit is een prachtig voorbeeld van hoe de schrijver, in zijn poging een sublieme weerlegging te geven van het fundamentele onderscheid tussen mens en dier, namelijk het denkvermogen (en niet de ziel of de geest, die immers de zetel van dat denkvermogen zijn), met zijn formulering "De overvloed aan hersenen was er de oorzaak van dat de mens op de gedachte kon komen dat hij een geest of ziel zou hebben" die poging meteen weer om zeep helpt. Om in de thematiek van het boek te blijven had de schrijver kunnen aangeven dat het vermogen om wederzijds te communiceren een te nemen horde zou kunnen zijn, het fundamentele onderscheid tussen een mond en een bek zogezegd. Maar nee, de tocht moet over de hoogste toppen gaan om voldoende in het oog te springen en een jammerlijke afstorting is het gevolg.
"Helderder dan ooit stond hem die nacht het verschil tussen liefde en pornografie voor de geest. Tijdelijkheid was een onderdeel van de liefde, niet van de pornografie. In de pornografie bestond de dood niet. Het pornografische lichaam was vervangbaar, het pornografische lichaam kon niet sterven omdat het zonder identiteit was. Pornografie was de oneindige cyclus van lichamen die elkaar substitueerden. Vliegen bijvoorbeeld konden ook niet sterven. Direct nadat je een vlieg doodsloeg, dook de volgende al weer op. Pornografie en vliegen waren eeuwig; liefde en mensen tijdelijk, tragisch en echt."
Opnieuw een kenmerkende uitspraak die op zichzelf interessant lijkt, maar leeg blijkt en bovendien in tegenspraak met wat eerder over het onderscheid tussen mens en dier wordt beweerd. Pornografie bestaat bij gratie van een cultuur die sexualiteit beperkt en het bestaat bij gratie van de fantasie. Het zijn niet de pornografische lichamen die elkaar vervangen, het is juist de gedachte dat de de toeschouwer in gedachten een van de lichamen vervangt door het zijne en daardoor deelnemer wordt. Dieren kennen geen sexuele restricties, geen taboes en al helemaal geen pornografie. Dat de schrijver dit over het hoofd ziet is een grote stommiteit.
Literatuur
Een literaire schrijver beheerst zijn taal, hij gebruikt die om de lezer onontkoombaar zijn eigen werkelijkheid op te dringen en zijn personages dienen daarom ook "van vlees en bloed" te zijn. Je zou ze op straat moeten kunnen tegenkomen, zoals iemand ooit eens over Couperus' Eline Vere zei.
Jardin beschrijft regelmatig dat iets gebeurt, maar slaagt er niet in dit voor de lezer te verbeelden of voelbaar te maken.
"Ze was intelligent onverschillig, nukkig en charmant. Soms was ze verdrietig, soms was ze geneigd tot vijandelijkheden, ook tegen zichzelf. Bij Naomi wist je het nooit helemaal. De afgelopen maanden had ze bewezen dat ze, ondanks alles, ook lief kon hebben, dat ze mooi kon voorlezen, dat ze verleiden kon met kleine dingetjes, charmant, gek, meisjesachtig en obsceen, ze kon liefhebben als een partizane, als iemand die onderdeel uitmaakte van een ongeregelde troep. Helemaal had je haar nooit, dat hoorde daarbij [...] Nu vertrok ze naar het buitenland. Wat moest je als je geliefde vertrok? Vergeten, gevoelens verdringen?"
Ziehier een poging om een vrouw als enigszins onpeilbaar te schetsen: "Ze was intelligent onverschillig, nukkig en charmant. Soms was ze verdrietig, soms was ze geneigd tot vijandelijkheden, ook tegen zichzelf. Bij Naomi wist je het nooit helemaal." Die laatste zin is overbodig. En dan deze zin: "De afgelopen maanden had ze bewezen dat ze, ondanks alles, ook lief kon hebben, dat ze mooi kon voorlezen, dat ze verleiden kon met kleine dingetjes, charmant, gek, meisjesachtig en obsceen, ze kon liefhebben als een partizane, als iemand die onderdeel uitmaakte van een ongeregelde troep." "ondanks alles": ondanks wat dan? Dat je het bij Naomi nooit helemaal wist? Dus dat ze iets bewezen had, maar dat je nooit helemaal wist of ze dat wel had bewezen? "dat ze mooi kon voorlezen": wat heeft dat met liefhebben te maken? Dat ze boeken liefheeft? Dat ze net als een juf of mijn moeder fijn verhaaltjes voorleest voor het slapen gaan? "kleine dingetjes, charmant, gek, meisjesachtig en obsceen": ja dat zal wel, maar welke dingetjes zijn het nu, likken aan je oorlel in de metro, kusmondjes terwijl je in de rij staat bij een receptie (heeeel meisjesachtig inderdaad)? Iedereen kan dit soort dingen beweren, het is nu juist de schrijver die door zijn wijze van beschrijven wat er gebeurt de lezer meeneemt, dat lukt niet met een gratuite opsomming van dertien in een dozijn. "Helemaal had je haar nooit, dat hoorde daarbij.": dat hebben we twee zinnen hiervoor al gelezen, we zijn nu juist zo benieuwd naar hoe dat blijkt. En dan tot slot deze verpletterende confrontatie met je eigen ellende: "Nu vertrok ze naar het buitenland. Wat moest je als je geliefde vertrok? Vergeten, gevoelens verdringen?" Deze ontologische waarheid is ons sinds "Joop ter Heul" en de "Goud-Elsje"-serie inmiddels genoegzaam bekend.
"De microbiologische kennis werd gemeengoed en wel met bezetenheid opwekkende heftigheid. Knolletjes en knoopjes, cellen en celresten, alles zou tussen de glazen platen fijn uitgewreven en uitgestreken worden om met de nieuwste methoden te worden onderzocht. De exacte Frans-Duitse volgorde: selecteren, fixeren, ontwateren, doordrenken met paraffine, inbedden, insnijden, op een glaasje brengen, ontwassen, kleuren en determineren. Het oog van de microscoop erbovenop, erin gestoken als een naald, daarna het menselijk oog op het oculair. Buigen maar dat hoofd, oog moest op oog gestapeld om dwars door de sferische aberraties tussen de objectieven het brandpunt waar te nemen. Hele fabrieken vol waarnemers waren aan het werk. Witgekleed, goedgesalarieerd, bezield, gedreven, protagonisten van een alomvattend beschavingsoffensief, meten, standaardiseren, oordelen, handelen en wassen. Zonder ophouden werken aan nieuwe voedingsbodems. De empirische capaciteit van vermenigvuldiging, verplaatsing, ontleding en vertering moest worden uitgebuit tot in het buitenissige."
We lezen: "het menselijk oog op het oculair": naast het feit dat dit pijnlijk zal zijn, is het niet nodig: boven het oculair voldoet in dit soort gevallen."om dwars door de sferische aberraties tussen de objectieven het brandpunt waar te nemen.": wat in deze context de "sferische aberraties" zijn blijft onduidelijk (wanneer gedoeld wordt op het niet compleet rond zijn van de bollingen van oog en oculair, kun je dat ook gewoon zeggen), maar het waarnemen van een brandpunt kan niet anders dan berusten op bovenmenselijke capaciteiten. Wat in het brandpunt ligt van het invallend licht, neem je normaliter het scherpst waar, maar daarbij blijft het. Het brandpunt zelf kan alleen het resultaat zijn van een berekening, die je wellicht op een bord, een scherm op een stuk papier, indien uitgetekend, kunt waarnemen. Opnieuw wordt door de schrijver onzorgvuldig geformuleerd. "tot in het buitenissige": dat is nu juist niet van toepassing wanneer de empirische capaciteit moet worden uitgebuit, het buitenissige is immers datgene wat buiten het brandpunt van de belangstelling ligt, het denkgebied van een gek of een genie, uit de aard der zaak strikt persoonsgebonden.
"Naomi kwam met grote stappen op hem aflopen, tussen de veteranen door, vlakbij hem strekte ze haar armen naar hem uit, ze omhelsde hem, zei dat ze hem iets vertellen moest, zij moest hem iets belangrijkst vertellen, iets dat zij hem al dagen, weken had willen vertellen, maar het was haar niet gelukt. Ze had het niet gekund en ze kon het nog niet, maar ze moest. Hij wist het, hij wist wat ze vertellen wilde en toen waren de zestig seconden voorbij, een tijdseenheid van niet-weten naar weten, van verbondenheid naar gescheidenheid of andersom, in een kamer gewijd aan de rococo, een kamer vol met lichtzinnige woekerende ornamenten."
Laat u de volgende zin even tot u doordringen (en probeer de typfout te negeren): "vlakbij hem strekte ze haar armen naar hem uit, ze omhelsde hem, zei dat ze hem iets vertellen moest, zij moest hem iets belangrijkst vertellen, iets dat zij hem al dagen, weken had willen vertellen, maar het was haar niet gelukt. Ze had het niet gekund en ze kon het nog niet, maar ze moest.": wederom een stijlbloempje uit de boeketreeks-kwekerij. Uiteraard zit de lezer meteen op het puntje van zijn stoel, WAT KAN DAT ZIJN? dat ze hem al dagen, nee weken al wil vertellen, dat zo superbelangrijk is dat het haar maar steeds niet was gelukt? Zelfs toiletbezoek kun je uiteindelijk niet uitstellen, hoewel weken ophouden in de regel wat teveel gevraagd is van het menselijk organisme. Er moet iets uit, iets wat er blijkbaar al lang in zit maar er nog altijd niet uitgekomen is. Zwanger? hoor ik u denken? We komen er niet achter. De schrijver houdt er blijkbaar van om de clou nog een tijdje voor zijn lezers verborgen te houden.
"Het openen van de mond was een van de grootste dingen die een mens kon doen. Opent uwen mond, eischt van mij vrijmoedig, sprak de dichter."
Heerlijk dat een joodse hoofdpersoon zich op een zo natuurlijke wijze bedient van een protestants-christelijke psalmvertaling, de Oude Berijming nog wel. En dat de schrijver dan probeert te doen alsof er hier geen orthodoxe psalmberijmer, maar een dichter aan het woord is.
"Ik zag er tientallen, honderdtallen als je mijn nachtmerries meerekende: juist gestorven paarden, varkens en runderen die in dampende stukken werden gezaagd, die werden opgehangen aan haken van lange hangbanen zodat de spieren door zwaartekracht uitrekten.Voor de koudekrimp moest dat gebeuren, je moest er gebruik van maken dat vlees na de dood een korte tijd ontspannen bleef. Samenballen mochten eiwitten niet, want dan werden de vezels taai. Daarom hangen, hangen was het allereerste principe, Jezus hing, meer heiligen hingen, hangen was overgave. Je kon zelfs als mens aan het dier hangen om het vlees beter te laten worden, je kon meerijden aan de hangbaan, dier aan dier, de armen via een bloedend lichaam verbonden met de roestige railinstallatie, zeer weldadig voor het vlees, oprekken die langdradige vezels, oprekken die filamenten."
"Samenballen mochten eiwitten niet, want dan werden de vezels taai. Daarom hangen, hangen was het allereerste principe, Jezus hing, meer heiligen hingen, hangen was overgave.": opmerkelijk dat de schrijver deze denkfout uitstalt: het door anderen met geweld worden gehangen met als doel het product zo min mogelijk aan kwaliteit te laten inboeten meteen transponeren op Jezus en heiligen die "hingen" uit overgave. Het eerste heeft met het tweede niets te maken, of het moest gaan via de tussenstap van een dier dat, geconfronteerd met de onontkoombaarheid van zijn dood, zich aan zijn slachters overgeeft. Maar niets van dat alles. Voorafgaand aan het getoonde fragment wordt tot tweemaal het doodsangstig gillen van de dieren genoemd.
"Natuurlijk moest hij zichzelf overwinnen in zijn eigen idee, maar hij deed niets liever, want de vragen die hij stelde en de teksten die hij voordroeg wonden hem op, haar reactie op zijn bed wond hem op."
We zijn hier getuige van een wonderlijk geval van erotische zelfontbranding, gecombineerd met een merkwaardige vorm van fetisjisme: de manier waarop zij op zijn bed reageert (en hoe zou ze op zijn bed reageren, zou ze zich netjes voorstellen?) windt hem weer op.
"Hij voelde zich diep gelukkig, wonderlijk gelukkig. Natuurlijk was ze te jong om met een grensverleggende interpretatie te komen, toch deed ze het naar zijn mening niet slecht. Menig docent kon wat van haar leren. Ze bracht op een zinnelijke manier intellectuele en emotionele kwetsbaarheid bij elkaar, en dat was revolutionair in de academische wereld. Wie had zich ooit afgevraagd, naakt ten overstaan van de luisteraars, of er zuivere tegenwoordigheid was? Zuivere tegenwoordigheid in de tekst, zuivere tegenwoordigheid van het bewustzijn? Zuivere lichamelijke tegenwoordigheid? Was het individu uitgerust met enige permanentie? Konden wij die permanentie vastpakken, betasten, benoemen?"
"Hij voelde zich diep gelukkig, wonderlijk gelukkig.": in de boekjes die in de supermarkt bij de kassa liggen, gebeurt dit ook, op dezelfde manier, wanneer de dokter zich realiseert dat zijn secretaresse hem op een prettige, discrete manier en vooral zonder verdere verplichtingen kan bevredigen. Een schrijver van literatuur verplicht zich juist door zijn pretentie een literaire roman te schrijven, zich tot het uiterste in te spannen om dit soort clichematige verwoordingen te vermijden. Dit is het soort scenes waar het er op aan komt, dat de schrijver laat zien wat hij in zijn mars heeft. Jardin faalt hier volledig. "Ze bracht op een zinnelijke manier intellectuele en emotionele kwetsbaarheid bij elkaar, en dat was revolutionair in de academische wereld. Wie had zich ooit afgevraagd, naakt ten overstaan van de luisteraars, of er zuivere tegenwoordigheid was?": het blote feit dat iemand zich ongekleed iets ten overstaan van toehoorders iets afvraagt mag in de academische wereld inderdaad een novum heten. Maar een novum met zeer beperkte houdbaarheid. De eerste de beste nudistenvereniging kan het organiseren. "Was het individu uitgerust met enige permanentie? Konden wij die permanentie vastpakken, betasten, benoemen?" De hoofdpersoon wordt in deze passage op buitengewoon prettige wijze door zijn schrijver bespot, terwijl ik het gevoel heb dat de schrijver de bedoeling heeft om juist volkomen serieus te zijn. Onbedoelde lolligheid is wel het laatste wat een schrijver zich kan veroorloven.
"Geloof het of geloof het niet, [...] op datzelfde moment bleek later, het was godgeklaagd zo mooi, zo onwerkelijk, zo verschrikkelijk ongeloofwaardig, zo volkomen ongeschikt om na te vertellen omdat niemand het geloven zou, kwam Clinton klaar en spoot hij zijn zaad in de mond van het meisje uit San Francisco. Maar niet alleen in haar mond, want hij morste. Hij trok zich op het verkeerde moment terug en in die terugtrekking morste hij, de spetters kwamen op haar mooie blauwe jurk terecht, op haar heup en op het borstgedeelte om exact te zijn, twee spetters, twee kloddertjes. Met een draagbare vlammenwerper kwam je een meter of dertig, met een vlammenwerper op een tank haalde je de honderd meter, hij overbrugde met zijn verdikte benzine in Lewinsky’s mond slechts een centimeter of vijf en daar waar het misging niet veel meer dan dertig of veertig centimeter, maar meer dan ooit schudde de rechtschapen natie op haar grondvesten alsof een centimeter een kilometer was en de kleverige gel op de jurk van het drieëntwintigjarige donkerharige meisje het brandstichtende vermogen had van genocidale napalm."
We geloven het niet, maar voor het verhaal maakt dat weinig uit. Hier trapt de schrijver in zijn eigen val. Waar hij een geval van -weliswaar verboden, maar zeker intiem bedoelde en beleefde- orale seks beschrijven wil, komt per abuis de pornografische verbeelding daarvan (waarbij het moment suprème niet in, maar juist goed zichtbaar voor de camera en de kijker buiten de mond van de partner plaatsvindt) in de tekst terecht. Hier verraadt zich de voyeur in de persoonlijkheid die ook de schrijver herbergt.
"Deze journalist was de aasgier waar hij eerder over gedacht had, de perncoptère."
Een perncoptère is een aasgier. Waarom niet alleen het woord aasgier gebruikt? Waarom niet meteen de Duitse, Engelse, Italiaanse, voor mijn part Russische variant erbij gehaald? Gewoon een gevalletje van interessantdoenerij?
"De straten van Berlijn deden denken aan Dantes dampende hel. Er moesten abcessen worden toegevoegd, er moest een monografie geschreven worden, maar de man kreeg zijn plaats in de vitrine, hij werd vastgebonden aan een plank, zijn mond was met een ijzeren staaf permanent geopend, zodat achter het glas in een meedogenloze bundel van licht, het speeksel hem over de lippen liep. Een club van specialisten is met scheermessen het eschatologisch gat in gegaan. Is het onderscheid tussen verbeelding en realiteit de laatste jaren juist door toedoen van Duitse filosofen niet steeds kleiner geworden? Ach, waarom zouden we eigenlijk Duitse filosofen nodig hebben. Er is een grote Hollandse schrijver die zegt dat ‘wat verdichtsel is in ‘t bijzonder, waarheid wordt in het algemeen’. Dit is het laatste verhaal, het uiteindelijke verhaal. Hij is monddood, nu hoeft er alleen maar geleden te worden, veel geleden."
Eschatologie betekent "leer der laatste dingen" (eschata=laatste dingen). Een eschatologisch gat moet dus iets als een "witte vlek op de kaart" zijn, een plek waarover de eschatologie niets zeggen kan. wat de schrijver hier bedoelt is daarom een raadsel. Het gaat over een man die blijkbaar als levend voorbeeld tentoongesteld wordt, over specialisten met scheermessen (zijn het kappers of zijn het juist chirurgen? Laten we hopen dat die het scalpel hanteren).
Het boek is "verlucht" met foto's waarvan de afkomst onduidelijk blijft. Op zijn website claimt Jardin zelf het copyright er op, maar gezien de evidente ouderdom van de plaatjes kan hij er zelf nooit de maker van zijn. Het grootste deel van de rechten over de afbeeldingen behoort aan de auteur. Mochten er lezers zijn die auteursrecht op een afbeelding claimen dan worden zij gevraagd contact op te nemen. Oude familiekiekjes dan? Wat zou dan de functie van die foto's kunnen zijn, behalve het ondubbelzinnig autobiografisch maken van de inhoud van het boek? Ik begin iets heel anders te vermoeden. Tijdens of vlak na zijn studietijd heeft Du Gardijn geschreven over de geschiedenis van de joden in Oost-Europa. Het is heel goed mogelijk dat deze foto's uit de archieven van deze joden afkomstig zijn. Dat maakt de frase "wie rechten op defoto's claimt" wel heel wrang. Dit riekt naar lijkenpikkerij.
Wie teksten, structuren uit de schilderkunst en foto's in een boek bijeenbrengt, zet in feite een groot bord in de omgeploegde aarde met daarop "HIER WORDT KUNST GEMAAKT!". Het gaat dus niet om de onstuitbare uitingen van een in de ziel verborgen lyrische persoonlijkheid, maar om een streven naar kunst. Sterker nog: hier probeert iemand uit alle macht een Gesamtkunstwerk te fabriceren, waaraan alleen de bijgeleverde cd met muziek nog ontbreekt. Misschien heeft de schrijver wel een bepaalde tijd lang gedacht dat hij op basis van de verhalen van een joodse familie de antsemiet Richard Wagner naar de kroon kon steken. Dat gebeurt dan door middel van een vijfpuntige structuur, een pentagram, jawel, het symbool van het Kwaad!
Volgens de tips voor de leesclub bestaat de monografie uit totaal vijf delen: twee delen, die beide "monografie van de mond" heten, een deel met de titel "monografie van huid en haar" en nog twee "subpanelen". Wie denkt er niet aan het heelal? We komen in de buurt.
"Liefhebben was overwonnen angst en daarna, diezelfde dag, diezelfde zomer, werd het jongetje, dat voorbestemd was om filosoof te worden, bang voor het uitspansel, eveneens om zijn grootte. Het uitspansel was een paard met melkwegen en manen. Lang wild haar in de nek, maar tegelijkertijd zo oneindig groot en hoog. Zo groot was het heelal dat je niet dichtbij kon zijn. Zo groot was het heelal dat je erin verdween en verdwijnen kon nooit het doel zijn van alle joodse en christelijke leraren. Dichtbij was niet gelijk aan verdwijnen."
Weer moet ik denken aan de student Geschiedenis uit de anekdote. De prof had gelijk. Wil je het heelal beschrijven, dan wordt je bouwsel zo enorm dat de hemellichamen gemakkelijk door de gaten heen ontsnappen. Uiteindelijk blijf je zitten met niets, een hoop woorden zonder zingevende betekenis. Een hoop o zo interessant bedoelde stellingen, beweringen en waarheden, die nooit meer worden dan quasi-filosofische prietpraat. Snippers, gescheurd uit boeken die vanwege hun dikte en hun oud-Duits aandoende gothische letters in de boekenkast staan, geplakt op papier en dan bijschrijven met je eigen onappetijtelijke hanepoten, want het is kunst, kunst o verdoemde lezer, je zult bezwijken onder de gewichtigheid van deze art. Uiteraard is deze poging, evenals zovele van zijn voorgangers, tot mislukken gedoemd.
Tenslotte nog deze, die we niet voor niets voor het laatst bewaren: "... die, geurend naar etherische oliën, nu naakt voor hem lag in bed? Hij sprak de vraag uit, hij reageerde op haar uitdaging, hij sprak de vraag naar god uit tot onder het laken. Maar hoe verder? Het was zo raar om halfnaakt je vak uit te oefenen, halfnaakt te debatteren met een halfnaakte vrouw."
Een vrouw die eerst naakt is en na de uitspraak van een vraag opeens halfnaakt? Tjonge! Nog een vraag en ze is weer geheel gekleed! Dit is geen mystiek engagement, dit is pure toverkunst!
Eén uitgeverij trapte er in.
Dat is pas op je smoel gaan. |